30 juni 2009
sferen
Tot vorig jaar hadden mijn sieraden een erg gesloten karakter; een bevinding die mij aan het denken zette. Want wou ik dit wel?
Ik hoopte immers sieraden te maken die mensen makkelijk aanspreken, die uitnodigen om gedragen te worden, die dynamiek en interactie teweegbrengen...
Aan de hand van tekeningen, foto’s en materiaalproeven zocht ik naar een directe manier om los te komen van dat hermetische en hoofdzakelijk al te intieme karakter van mijn vroegere sieraden.
Mijn tekeningen toonden dat lijnen vloeiend en spontaan kunnen. Dat vormen groeien en een weg zoeken die ik niet had voorzien. Dat niet alles perfect afgewerkt hoeft te zijn. Door het vele tekenen vond ik voor mijzelf een opening.
Ik leerde steeds meer op mijn intuïtie vertrouwen. Zo durfde ik deze rechtstreekse manier van werken nu ook toepassen op andere terreinen: ik omwikkelde polystyreenballen met papiertape, prikte ze vol met spelden, bracht er lijnenpatronen op aan met katoenkoord.
Ik onderzocht het contrast tussen dikke koord en dunne draad, ik liet grote ballen een verbinding aangaan met de kleintjes, ik plaatste heftige kleuren tegenover meer neutrale tonen... Op die manier ontstond een hele reeks onbevangen materiaalschetsen die het uitgangspunt vormden voor mijn - latere - lichaamsgerelateerde objecten en sieraden.
Ik noemde ze ‘sferen’, en niet alleen ter wille van hun bolvorm.
Want uiteindelijk moest het werk op het lichaam. Ik onderzocht stap voor stap de kenmerken van deze vorm van communiceren, van verbinden. Ik liet het materiaal zelf in al zijn letterlijkheid vertellen over de bijzonderheden van deze relatie: bijvoorbeeld, hoe groeien deze bolvormen naar het lichaam toe, hangen zij aan één kwetsbaar draadje of aan een stevige bundel strengen?
Hoe maken ze contact – met draden, met spelden of alleen in gedachten?
Vergroeien ze met elkaar, worden ze één sferisch lichaam? Durft de ene zich aan de ander te tonen? Durf ik mij te tonen?